onvermogen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ver·mo·gen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onvermogen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

onvermogen o [1]

  1. niet bij machte zijn iets te doen
    • Het was niet onwil, het was onvermogen waarom hij onvoldoendes haalde voor zijn examen. 
    • De felle, vaak gewelddadige tegenstand die hun bewegingen ondervonden van de autoriteiten en sommige bevolkingsgroepen ging terug op dezelfde constanten: angst voor verlies van controle, woede over het ontwaakte zelfbewustzijn van mensen die ‘hun plaats’ niet meer kenden, agressie uit schuldbewustzijn over het stilzwijgend accepteren van onrecht en de bange verwachting dat er hel en verdoemenis zou uitbreken wanneer de ‘ander’ de macht zou overnemen. Daaronder: het onvermogen of de onwil om in de ander werkelijk een gelijke te zien. [2] 
    • Het onvermogen om met elkaar te communiceren was een groot probleem. Mobieltjes gaven geen gehoor, vinkjes op WhatsApp bleven grijs, zelfs satelliettelefoons lieten het afweten. Dat had alles te maken met de grootste zendmast van telecombedrijf UTS die in hoofdstad Philipsburg omver waaide alsof het niets was. Het gevaarte van 40 meter hoog belandde bovenop het hoofdgebouw en sloeg een krater in het dak. [3] 
  2. (juridisch) kennelijk onvermogen: niet bij machte zijn iets te betalen
  3. (economie) armoede
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard ZATERDAG 9 SEPTEMBER 2017
  3. Tubantia Chris Klomp 07-09-2017