onverkort

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ver·kort
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen onverkort
verbogen onverkorte
partitief onverkorts

Bijvoeglijk naamwoord

onverkort

  1. niet korter gemaakt
    • Het volledige en onverkorte interview wordt volgende week gepubliceerd. 
  2. onverminderd, zonder concessies te doen
    • Ik hou onverkort vast aan mijn doelstelling om het aantal verkeersslachtoffers terug te dringen. [1]
    • Alleen de VVD is onverkort positief. 
Typische woordcombinaties
  • onverkort vasthouden

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Minister Schultz van Haegen in een kamerbrief over de verhoging maximumsnelheid, 11 februari 2011