onverbreed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ver·breed
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen onverbreed
verbogen onverbrede
partitief onverbreeds

Bijvoeglijk naamwoord

onverbreed

  1. zonder horizontaal haaks op de kijkrichting of dwars op de lengte groter te worden
     De slanke arm leek onverbreed bij de hand door te lopen.[1]
  2. attributief gebruikt
    • Dat onverbrede stuk weg zorgt voor veel opstoppingen. 
  3. als naamwoordelijk deel van het gezegde gebruikt
    • Het strand is daar nog onverbreed. 
Antoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 3 januari 2020 Weblink bron Tomas Lieske op Wikipedia Vleugels in: Tirade., 349 jrg. 37 nr. 6 (november/december 1993), G.A. van Oorschot, Amsterdam, p. 534