onus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • onus
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Latijn
enkelvoud meervoud
naamwoord onus onera
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

onus m

  1. plicht, verantwoordelijkheid, last

Gangbaarheid

14 % van de Nederlanders;
16 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be