ontwaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·wa·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van waken met het voorvoegsel ont-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontwaken
ontwaakte
ontwaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

ontwaken

  1. (ergatief) uit de slaap weer tot vol bewustzijn terugkeren
    Hij was nog maar net ontwaakt toen het brandalarm weerklonk.
Vertalingen