ontvouwt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·vouwt

Werkwoord

vervoeging van
ontvouwen

ontvouwt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ontvouwen
    • Jij ontvouwt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ontvouwen
    • Hij ontvouwt. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van ontvouwen
    • Ontvouwt!