ontruimen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
ontruimen ontruimend
ontruiming ontruimd
Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·rui·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontruimen
ontruimde
ontruimd
zwak -d volledig

Werkwoord

ontruimen

  1. overgankelijk een gebouw of gebied voorgoed verlaten en leeg achterlaten
    • Deze woning moet volgende week ontruimd zijn. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.