ontlezing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·le·zing
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ontlezing ontlezingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ontlezing v

  1. het minder lezen van boeken door de bevolking in het algemeen
     Kom bij haar niet aan met ontlezing: „Dat is een mythe, er wordt meer gelezen dan ooit! Via de webshop verkoop ik ook digitale boeken. E-readers staan voor mij naast papieren boeken, het is gemakkelijk in het openbaar vervoer.”[2]
     De recente problemen rond boekenketen Polare zijn tekenend voor de hele sector, waarin ontlezing en besparingsdrang al jarenlang de inkomsten terugdringen.[3]

Gangbaarheid

61 % van de Nederlanders;
56 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. ontlezing op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink Weblink bron MARIE-THÉRÈSE ROOSENDAAL “’Ik lééf boeken…’” (26 mrt. 2013), De Telegraaf
  3. Bronlink Weblink bron FRANK VAN RUTTEN “´Einde aan boekenverhaal´” (12 feb. 2014), De Telegraaf