ontkoppelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·kop·pe·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontkoppelen
ontkoppelde
ontkoppeld
zwak -d volledig

Werkwoord

ontkoppelen

  1. overgankelijk een koppeling verbreken
    • De wagon werd ontkoppeld van de locomotief. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.