onthullen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·hul·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
onthullen
onthulde
onthuld
zwak -d volledig

Werkwoord

onthullen

  1. overgankelijk van het hulsel ontdoen bij plechtige gelegenheden
    • Het ontwerp van de nieuwe voetbalbeker werd afgelopen week officieel onthuld. 
  2. overgankelijk openbaren van onbekende feiten
    • Hij had het niet graag wanneer er dingen over zijn verleden werden onthuld waar hij niet trots op was. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.