onopgelost

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·op·ge·lost
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen onopgelost
verbogen onopgeloste
partitief onopgelosts

Bijvoeglijk naamwoord

onopgelost [1]

  1. van misdaden dat de dader nog niet gevonden is
    • Sindsdien werkt Kizilkan niet meer bij het academisch ziekenhuis in Diyarbakir. Het voelt als een herhaling van de jaren negentig. Toen is hij meerdere keren vervolgd, opgepakt en opgesloten omdat hij als hoofd van een artsenorganisatie martelingen, onopgeloste moorden en verdwijningen van Koerden aan de kaak stelde. In hoger beroep kreeg hij altijd gelijk, maar „het heeft grote impact gehad op mijn leven en dat van mijn gezin”.Marloes de Koning NRC 10 november 2016 
  2. problematisch
    • Het onopgeloste conflict tussen Israël en de Palestijnen is een van de langst bestaande conflicten. 
Antoniemen
Opmerkingen
  • Omdat "-stst" moeilijk is uit te spreken en te verstaan kan voor de overtreffende trap beter de omschrijving met meest worden gebruikt.[2][3]

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen