onontkoombaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ont·koom·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onontkoombaar onontkoombaarder onontkoombaarst
verbogen onontkoombare onontkoombaardere onontkoombaarste
partitief onontkoombaars onontkoombaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

onontkoombaar

  1. waaraan niet te ontsnappen is
    • Deze conclusie is onontkoombaar. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be