onontbeerlijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ont·beer·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onontbeerlijk onontbeerlijker onontbeerlijkst
verbogen onontbeerlijke onontbeerlijkere onontbeerlijkste
partitief onontbeerlijks onontbeerlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

onontbeerlijk

  1. volstrekt noodzakelijk
    • In het noorden van Siberië is kleding van bont vervaardigd onontbeerlijk. 
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be