onkunde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·kun·de
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van kunde met het voorvoegsel on-
enkelvoud meervoud
naamwoord onkunde
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

onkunde v

  1. iets niet kunnen, iets niet weten, onwetendheid.
    • Men hekelt de onkunde van de bestuurders van de organisatie. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.