ongetrouwd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·trouwd
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen ongetrouwd
verbogen ongetrouwde
partitief ongetrouwds

Bijvoeglijk naamwoord

ongetrouwd

  1. niet getrouwd
    • De ongetrouwde vrouw wilde uitdrukkelijk juffrouw genoemd worden. 
    • Een oudere ongetrouwdd vrouw wordt wel een oude vrijster genoemd. 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.