ongerust
Uiterlijk
- on·ge·rust
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | ongerust | ongeruster | (ongerustst) * |
| verbogen | ongeruste | ongerustere | (ongerustste) * |
| partitief | ongerusts | ongerusters | - |
ongerust
- bezorgd dat iemand iets zal overkomen
1. bezorgd dat iemand iets zal overkomen
- Het woord ongerust staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "ongerust" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[5] |
- ↑ Teuntje de Haan“Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij
, ISBN 9789021409375 - ↑ “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024582280 - ↑
Weblink bron W. Haeseryn e.a.“6.4.3.1.2 Omschrijving van de trappen van vergelijking met meer en meest.” (januari 2019), punt 4 op e-ans.ivdnt.org (Algemene Nederlandse Spraakkunst) - ↑
Weblink bron “Omschreven trappen van vergelijking (algemeen)”, punt 3. op taaladvies.net (Nederlandse Taalunie) - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be