ongepast

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·past
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ongepast ongepaster (ongepastst) *
verbogen ongepaste ongepastere (ongepastste) *
partitief ongepasts ongepasters -

Bijvoeglijk naamwoord

ongepast

  1. niet gepast, niet geschikt voor een situatie
    • Die opmerking is ongepast. 
    • De vrouw vindt niet dat ze de schuld moet dragen voor een systeem. Op de vraag of ze spijt heeft van haar reactie, antwoordt de telefoniste: ,,Laten we zeggen dat het ongepast was.” De telefoniste zou volgens haar advocaat gemiddeld 2000 telefoontjes per dag verwerken. [1] 
  2. van kleding, niet geprobeerd of het de juiste grootte heeft
    • Ik heb de broek ongepast gekocht. 
Opmerkingen
  • Omdat "-stst" moeilijk is uit te spreken en te verstaan kan voor de overtreffende trap beter de omschrijving "meest ongepast(e)" worden gebruikt.[2][3]
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen