ongenaakbaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·naak·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ongenaakbaar ongenaakbaarder ongenaakbaarst
verbogen ongenaakbare ongenaakbaardere ongenaakbaarste
partitief ongenaakbaars ongenaakbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

ongenaakbaar

  1. afstandelijk, niet te raken
    • Ik ben ongenaakbaar en ik vind 't dood normaal [1]  
  2. onverslaanbaar
    • Hanou is weer ongenaakbaar bij het openwaterzwemmen [2] 
  3. onmogelijk te betreden of te beklimmen
    • De rotsen zagen er steil en ongenaakbaar uit. [3] 
Antoniemen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Grof Geschut in de song Ongenaakbaar
  2. De Gelderlander 11 september 2016
  3. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 85