ongenaakbaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·naak·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ongenaakbaar ongenaakbaarder ongenaakbaarst
verbogen ongenaakbare ongenaakbaardere ongenaakbaarste
partitief ongenaakbaars ongenaakbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

ongenaakbaar

  1. afstandelijk, niet te raken
    • Ik ben ongenaakbaar en ik vind 't dood normaal [1]  
  2. onverslaanbaar
    • Hanou is weer ongenaakbaar bij het openwaterzwemmen [2] 
  3. onmogelijk te betreden of te beklimmen
    • De rotsen zagen er steil en ongenaakbaar uit. [3] 
Antoniemen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Grof Geschut in de song Ongenaakbaar
  2. De Gelderlander 11 september 2016
  3. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 85
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be