ongehuwd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·huwd
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen ongehuwd
verbogen ongehuwde
partitief ongehuwds

Bijvoeglijk naamwoord

ongehuwd

  1. niet getrouwd
    • De vondeling werd Jan van der Stoep genoemd, vanwege de plek waar hij lag. Pas jaren later werd bekend dat zijn ongehuwde moeder uit pure armoede haar zoontje op straat had achtergelaten. [2]
Synoniemen
Antoniemen

Deelwoord

bevestigend
deelwoord
ontkennend
deelwoord
onverbogen gehuwd ongehuwd
verbogen gehuwde ongehuwde
vervoeging van
huwen

ongehuwd ontkenned deelwoord van huwen

  1. attributief gebruikt niet in het huwelijk getreden
    • Hij is het kind van een ongehuwde moeder. 
  2. als naamwoordelijk deel van het gezegde gebruikt
    • Hij bleef ongehuwd. 
  3. bijwoordelijk gebruikt
    • Het stel woont ongehuwd samen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen