ongehuwd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·huwd
Woordherkomst en -opbouw

Deelwoord

bevestigend
deelwoord
ontkennend
deelwoord
onverbogen gehuwd ongehuwd
verbogen gehuwde ongehuwde
vervoeging van
huwen

ongehuwd ontkenned deelwoord van huwen

  1. attributief gebruikt niet in het huwelijk getreden
    • Hij is het kind van een ongehuwde moeder. 
  2. als naamwoordelijk deel van het gezegde gebruikt
    • Hij bleef ongehuwd. 
  3. bijwoordelijk gebruikt
    • Het stel woont ongehuwd samen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.