ongans

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·gans
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘ongezond’ voor het eerst aangetroffen in 1287 [1]
  • antoniem van gans met het voorvoegsel on- [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ongans onganser onganst
verbogen onganse ongansere onganste
partitief ongans ongansers -

Bijvoeglijk naamwoord

ongans [3] [4]

  1. ongezond, onwel
Antoniemen

Zelfstandig naamwoord

ongans o

  1. schapenziekte veroorzaakt door leverbot
    • Laat ons dus in de eerste plaats middelen in het werk stellen om de oorzaak weg te nemen, ter voorkoming van het ongans bij de schapen niet alleen, maar laat ons ook doen uit medelijden met die arme rinkelbollen van koeitjes, die nog maar al te dikwijls zweeren moeten, dat gras en hooi bestaande uit zuurgras, voedsel voor vee is.[5] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
28 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen