ondoordringbaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·door·dring·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ondoordringbaar ondoordringbaarder ondoordringbaarst
verbogen ondoordringbare ondoordringbaardere ondoordringbaarste
partitief ondoordringbaars ondoordringbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

ondoordringbaar

  1. waar niets doorheen kan dringen, ondoorlatend.
    • De vesting was ondoordringbaar. 
    • Nemo keek in de aangewezen richting. Hij zag niets anders dan een zware, ondoordringbare nevel waarin de Stenen schenen te verdwijnen. [1] 
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 78