onderkin

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·der·kin
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onderkin onderkinnen
verkleinwoord onderkinnetje onderkinnetjes

Zelfstandig naamwoord

onderkin v/m [1]

  1. het neerhangende vlezige gedeelte tussen de kin en hals dat bij gezette mensen als een tweede kin aanwezig is
    • Ik ga in de politiek! Met alle reusachtige respect: wat Jan Dijkgraaf, ex-Metro-columnist, kan, moet ik toch ook kunnen, dacht ik toen ik hoorde dat ook hij een politieke partij ging oprichten. Qua charisma zou ik als aspirant-politicus minstens in zijn buurt moeten kunnen komen, vooral omdat ik (nog) geen onderkin heb en hij wel. [2] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Frits Abrahams 6 december 2016