onderhoud

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • on·der·houd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onderhoud -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ónderhoud o

  1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden
     De centrale hal was voorzien van een sensationele kroonluchter, die amechtig antiek hing te zijn. `Een van onze pronkstukken,' zei de majordomus, die alles merkte, dus ook dat de lamp mij was opgevallen. 'Alleen erg lastig in het onderhoud.[1]
  2. een gesprek waarin men tracht geschilpunten te overbruggen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
onderhouden

ónderhoud

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van onderhouden
    • ... dat ik ónderhoud. 

Werkwoord

vervoeging van
onderhouden

onderhóúd

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van onderhouden
    • Ik onderhoud. 
  2. gebiedende wijs van onderhouden
    • Onderhoud! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van onderhouden
    • Onderhoud je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 15


Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord onderhoud

Zelfstandig naamwoord

onderhoud

  1. interview, vraaggesprek
  2. onderhoud