ondeelbaarheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·deel·baar·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ondeelbaarheid ondeelbaarheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ondeelbaarheid v [1]

  1. de mate waarin een geheel niet in stukken gedeeld kan worden
     Een ongewone klaarheid en ondeelbaarheid van al wat zichtbaar is.[2]
     De U-raad heeft onder meer bezwaren tegen de ondeelbaarheid van modules en de wens van het college om tegelijkertijd een bezuiniging op het onderwijs te realiseren.[3]
  2. (wiskunde) niet deelbaar; als bij deling van een geheel getal door een ander geheel getal de rest niet gelijk is aan 0
  3. iets dat niet in onderdelen verdeeld kan worden
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Boris Pasternak (vert. Margriet Berg en Marja Wiebes) “Dokter Zjivago” (1957), G.A. van Oorschot op Wikipedia, ISBN 9789028261396
  3. Bronlink geraadpleegd op 3 april 2022 Weblink bron Loes Schutte “Universiteitsraad tegen nieuw onderwijsmodel” (19-06-2012), Tubantia