onbeschermd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·be·schermd
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onbeschermd onbeschermder onbeschermdst
verbogen onbeschermde onbeschermdere onbeschermdste
partitief onbeschermds onbeschermders -

Bijvoeglijk naamwoord

onbeschermd

  1. zonder beschutting of beveiliging
    1. zonder dat de huid door kleding of smeersel tegen zonnebrand beschermd is
    2. (medisch) zonder vaccinatie
    3. (bij seks) zonder condoom
    4. (bouwkunde) (van hout) niet geschilderd of op een andere manier tegen het weer bestand gemaakt
Uitdrukkingen en gezegden
  • onbeschermd blijven
geen bescherming tegen verwacht gevaar krijgen
  • onbeschermd laten
geen bescherming tegen verwacht gevaar bieden

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen