onberispelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·be·ris·pe·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onberispelijk onberispelijker onberispelijkst
verbogen onberispelijke onberispelijkere onberispelijkste
partitief onberispelijks onberispelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

onberispelijk

  1. waarop geen aanmerking te maken valt
    • Zijn presentatie was niet onberispelijk, maar zijn voordracht viel toch in goede aarde. 
  2. heel erg netjes
    • Overal lachende gezichten in de kring. Ik keek naar mijn vader en hij glimlachte. Die man in dat onberispelijke pak. Nog even en hij zou in die kring gaan staan. [1] 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 157