onafscheidelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·af·schei·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onafscheidelijk onafscheidelijker onafscheidelijkst
verbogen onafscheidelijke onafscheidelijkere onafscheidelijkste
partitief onafscheidelijks onafscheidelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

onafscheidelijk

  1. helemaal bij elkaar horend
    • Zij waren onafscheidelijke vrienden van elkaar 
Afgeleide begrippen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.