onafheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·af·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van onaf met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord onafheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

onafheid v

  1. de mate waarin iets nog niet voltooid is, nog niet af is
Synoniemen

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders;
39 % van de Vlamingen.