omzwachtelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·zwach·te·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omzwachtelen
omzwachtelde
omzwachteld
zwak -d volledig

Werkwoord

omzwachtelen

  1. overgankelijk geheel omwinden met een zwachtel
    • Nadat de sporter zijn been had laten omzwachtelen, kwam hij beter in het spel. 
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.