omzoomden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • om·zoom·den

Werkwoord

vervoeging van
omzomen

omzóómden

  1. meervoud verleden tijd van omzomen
    • Wij omzóómden. 
    • Jullie omzóómden. 
    • Zij omzóómden. 
vervoeging van
omzomen

ómzoomden

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van omzomen
    • ...dat wij ómzoomden. 
    • ...dat jullie ómzoomden. 
    • ...dat zij ómzoomden.