omzoomde
Uiterlijk
- om·zoom·de
| vervoeging van |
|---|
| omzomen |
ómzoomde
- (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van omzomen
- ... dat ik omzoomde.
- ... dat jij omzoomde.
- ... dat hij, zij, het omzoomde.
- ... dat ik omzoomde.
| vervoeging van |
|---|
| omzomen |
omzóómde
omzoomde
- verbogen vorm van de stellende trap van omzoomd
- Het woord omzoomde staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Klemtoonhomogram in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Verbogen vorm van het voltooid deelwoord in het Nederlands
- Bijvoeglijknaamwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal