omruil

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·ruil

Werkwoord

vervoeging van
omruilen

omruil

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omruilen
    • ... dat ik omruil. 

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be