omrekenen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·re·ke·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omrekenen
rekende om
omgerekend
zwak -d volledig

Werkwoord

omrekenen

  1. overgankelijk een bedrag in de ene muntsoort uitdrukken in de andere
    • Mensen hoeven geen guldens meer in franken om te rekenen. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.