omrastering

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·ras·te·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord omrastering omrasteringen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

omrastering v [1]

  1. iets wat belemmert een gebied in- of uit te gaan
    • Op het bijna 20.000 vierkante meter grote complex mag elk tuintje op eigen grond een berging, kasje en omrastering hebben van maximaal een meter hoogte. Het betekent dat volkstuinders in tijgersluipgang door de plastic boogkasjes sluipen om hun plantjes te verzorgen. [2] 
    • In de holeshot waren een aantal rijders op elkaar geklapt, onder wie de Nederlander Nick Kouwenberg, de Brit Tommy Searle en de Rus Evgeny Bobryshev. Een van hun motoren vloog zelfs over de omheining en belandde op de omrastering van een VIP-ruimte. [3] 
    • ‘Dit huis heeft ook een nobele missie. Ik vind het cruciaal dat wie bouwt, ook beseft dat je zwierig kan wonen op een kleine kavel. Je kan verdomd mooi bouwen op een betaalbaar perceel van vijf are. Bij Jos en Els merk je dat het huis een esthetisch geheel vormt met de bestrating en omheining. Jammer genoeg zien we dat nog niet zo vaak in ons verkaveld Vlaanderen, met groene omrasteringen en nieuwbouw die netjes op drie meter van de draad wordt neergepoot. Dat doet me bibberen.’ [4] 
Hyponiemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen