ompalen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·pa·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ompalen
ompaalde
ompaald
zwak -d volledig

Werkwoord

ompalen

  1. overgankelijk met palen omgeven
    • Waar vlucht gy tot uw baat?
      Vlucht heên waar Amfitrit' ompaalt de hete zanden:
      Vlucht heên waar 't Aardrijk is omringt van koude strandẽ,[1]
       

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Leo Armenius: Treurspel, Vierde bedrijf Adriaan Leeuw 1659