omnaaien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·naai·en
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

omnaaien [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omnaaien
naaide om
omgenaaid
zwak -d volledig
  1. iets door naaien veranderen
     Limbach liet - aanvankelijk onder zijn eigen naam - oude legerjassen omnaaien tot stoere bikermodellen, wat uitgroeide tot een trend.[2]
  2. een rand van een stuk stof afwerken met een festonsteek
     Het is de bedoeling dat je vriendin alles wat zij niet kan of niet graag doet, eerst noteert. Een paar voorbeelden: bankuittreksels schikken, klagen bij Belgacom, belastingaangifte invullen, poule fricassée klaarmaken, uitgetrokken zomen omnaaien... Tijdens deze cursus leren jongens de dingen doen die hun vriendin haat. In het leven moet je compenseren en als jij alle klusjes opknapt die zij haat, dan word je misschien wel onmisbaar.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

62 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron JESSICA NUMANN “In de leer bij (schoon)vader” (28 mrt. 2017), De Telegraaf
  3. Bronlink Weblink bron “Meisjes willen een held die kan dansen en zomen omnaaien” (8 mei 2002), De Morgen