omlijstte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·lijst·te

Werkwoord

vervoeging van
omlijsten

omlijstte

  1. enkelvoud verleden tijd van omlijsten
    • Ik omlijstte. 
    • Jij omlijstte. 
    • Hij, zij, het omlijstte.