omlijsten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

twee beelden omlijsten de ingang van het portiek
Uitspraak
Woordafbreking
  • om·lijs·ten
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

omlijsten [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omlijsten
omlijstte
omlijst
zwak -t volledig
  1. ergens (als een lijst) helemaal omheen gaan
    • Iedereen die er een blik op werpt, zal de link met Porsche zien. De twee luchtroosters achterop, de lage gebogen voorruit in chromen omlijsting, alles ademt het vijftiger jaren design van de iconische sportauto. Maar vergis je niet, dit is een splinternieuwe boot met moderne techniek en de ‘look en feel’ van een klassieker.[2] 
  2. verfraaien, versieren
    • Bomen die overleven, mogen volgend jaar na Sinterklaas weer worden opgegraven om te worden opgetuigd voor de kerstdagen. Omdat het perceel vlakbij het beoogde bouwterrein van de Sixhaven ligt, wordt samen met de gemeente per jaar gekeken of het kerstbomenbos kan blijven. Het planten staat gepland op de middag van 6 en 7 januari en wordt omlijst met een kampvuur en muziek.[3] 
    • Hiermee omlijst een groep dichters uit de regio de kunstroute van Kijk op Kunst Borculo, die wordt gehouden in Geesteren en Gelselaar in de weekenden van 30 september en 1 oktober en 7 en 8 oktober.[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf EPCO ONGERING 03 feb. 2018
  3. de Telegraaf JELMER GEERDS 29 dec. 2017
  4. Tubantia 27-SEPTEMBER-2017