omgorden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • om·gor·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omgorden
omgordde
omgord
zwak -d volledig

Werkwoord

omgórden

  1. wederkerend met een gordel omgeven, omringen, omdoen
    • 't Zijn vijftig jaren dan, sints met beschroomde stoutheid
      uw jonkheid zich omgordde, om de eêlste vrucht der oudheid
      aan d' Amsterl gâ te slaan met zijner zonen bloem, ...[1]
       
     Ik liet mijn blik waren over het landgoed dat het hotel omgordde.[2]
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omgorden
gordde om
omgegord
zwak -d volledig

Werkwoord

ómgorden

  1. ditransitief omheen doen
    • Hij kreeg daarbij een sjerp omgegord. 

Gangbaarheid

56 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Isaäc Da Costa- Feestzang ter gelegenheid der viering van het vijftigjarig hoogleeraarsambt van Mr D. J. van Lennep. 19 november 1849
  2. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 13