ombinden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • om·bin·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ombinden
bond om
omgebonden
klasse 3 volledig

Werkwoord

ómbinden

  1. overgankelijk iets bevestigen door bindsels rond een bestigingspunt te wentelen
    • Het ooglapje werd omgebonden en het piratenkeppeltje werd opgezet. 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ombinden
ombond
ombonden
klasse 3 volledig

Werkwoord

ombínden

  1. overgankelijk bedekken met bindsels
    • Elk wondje werd ombonden; hij zag eruit als een mummie. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.