olm

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • olm
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘iep’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1276 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord olm olmen
verkleinwoord olmpje olmpjes

Zelfstandig naamwoord

olm m

  1. (plantkunde) boom uit de iepenfamilie
    • De uil zat in de olmen, bij het vallen van de nacht en achter gindse heuvels, daar riep de koekoek zacht ...  
Synoniemen
  1. iep
Anagrammen


Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen