oliekan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

oliekan met tuit
oliekan met pompje
Uitspraak
Woordafbreking
  • olie·kan
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oliekan oliekannen
verkleinwoord oliekannetje oliekannetjes

Zelfstandig naamwoord

oliekan v/m [1]

  1. kan waarin men olie bewaart en waaruit men olie kan schenken
    • Wim Kan zei tijdens de eerste oliecrisis al dat de olielanden nog wel eens met een oliekannetje langs de deur zouden komen om te vragen of wij misschien nog wat olie wilden kopen. Datzelfde zou nu moeten opgaan voor de bankiers en hun “haarlemmer olie”. Wilt u nog een extra kredietje? [2] 
    • De opvolger van de geslachtofferde Huisinga, Karel Noordzij, heeft ten opzichte van zijn voorganger één groot voordeel: hij is tijdelijk. Dat vertelde hij ook onmiddellijk na zijn aantreden en de enkele keren dat hij daarna voor het voetlicht trad. Hij doet niet meer dan binnen de veelgeplaagde spoorwegonderneming met de oliekan rondgaan om de vastgelopen en roestige raderen te smeren. [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Telegraaf W. Okkerse 20 april 2015 Bankengeld buitenspel gezet
  3. Reformatorisch Dagblad Niek Sterk 28 februari 2002 Psychologie van wissel NS-top werkt nog