offeraar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • of·fe·raar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord offeraar offeraars
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

offeraar m [1]

  1. iemand die een dier geeft aan een priester om het te offeren aan een godheid
  2. iemand die een offerdier naar het altaar brengt en doodt
    • De offeraar mocht het offer naar het altaar brengen en doden, hoewel dit gewoonlijk door de levieten gedaan werd (2 Kronieken 30:16, 17; 35:11). [2] 
    • Rond het offeren van een dier bestond een hele ritus, waarvan het opmerkelijkste kenmerk was dat het dier geacht werd zelf in te stemmen met het offer door op een bepaald moment met de kop te schudden. Een kundig offeraar zorgde er natuurlijk wel voor dat het dier die kopschudding volvoerde, zodat het beest met een gerust geweten de keel doorgesneden kon worden. [3] 
    • „Een offer wordt over het algemeen gebracht ten gerieve van de offeraar. Dat is ook wat Kaïn Abel verwijt, hij offert een dier om er zelf beter van te worden, eventueel in het hiernamaals. ‘Een lam voor een gedachte’. [4] 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad J. C. Philpot 18-07-2015 Priester nodig
  3. NRC Marjoleine de Vos 24 december 2003 Ei met duivelsdrek
  4. NRC Marjoleine de Vos 23 januari 2015 ‘Ik geloof niet dat ik de baas ben over mijn gedichten’