oehoe

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oe·hoe
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘uilachtige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1809 [1]

Zelfstandig naamwoord

oehoe m

  1. uilensoort
    • Een oehoe kan muizen vangen. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen

Tussenwerpsel

oehoe

  1. het geluid dat een oehoe maakt

Werkwoord

vervoeging van
oehoeën

oehoe

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oehoeën
    • Ik oehoe. 
  2. gebiedende wijs van oehoeën
    • Oehoe! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oehoeën
    • Oehoe je? 

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen