oedeem

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oe·deem
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits of modern Latijn, in de betekenis van ‘vochtophoping’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord oedeem oedemen
verkleinwoord oedeempje oedeempjes

Zelfstandig naamwoord

oedeem o

  1. (medisch) een zwelling ten gevolge van een ophoping van vocht in delen van het lichaam
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen