oculair

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De twee oculairs van een een binoculaire microscoop

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ocu·lair
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘oog-’ voor het eerst aangetroffen in 1524 [1]
  • afgeleid van het Franse oculaire met het achtervoegsel -air [2]
stellend
onverbogen oculair
verbogen oculaire

Bijvoeglijk naamwoord

oculair

  1. (medisch) met betrekking tot het oog
    • Door de oculaire hulpmiddelen kon hij beter zien. 
Hyponiemen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord oculair oculairs
verkleinwoord oculairtje oculairtjes

Zelfstandig naamwoord

oculair o

  1. (optica) een lens of lenzenstelsel in een optisch instrument dat naar het oog van de kijker gericht is
    • Het oculair mag wel eens schoongemaakt worden! 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen