Naar inhoud springen

octroyer

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
octroyer
octroyais
octroyé
eerste groep volledig

octroyer

  1. overgankelijk iemand iets als gunst geven
  2. overgankelijk verlenen, toekennen (als overheid)
    «C'est la commune sur laquelle se situe votre propriété qui a la charge de vous octroyer ou non ce permis.»[2]
    Het is de gemeente waarop uw eigendom zich bevindt die de bevoegdheid heeft om u wel of niet deze vergunning toe te kennen.