occasie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oc·ca·sie
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord occasie occasies
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

occasie v [2]

  1. mogelijkheid, kans, gelegenheid
    • Schip de Bloemtuijn legde die reis in tegenovergestelde richting af: de schipper zag dat er 'geen occasie was binnen Texel te comen'. Uiteindelijk is het schip 21 januari 'met groot perikel door het ijs heen, in de haven van Goeree gecomen'. [3] 
    • In oudere drukken vervang je soms wel een enkel woord, omdat de betekenis ervan bij veel hoorders niet meer bekend is. Ik denk dan bijvoorbeeld aan ”occasie” (gelegenheid), ”discoursen” (gesprek), ”slimmer” (erger), ”malkanderen” (elkaar) en ”werwaarts” (waarheen).” [4] 
  2. tweedehands auto
    • Sinds Dieselgate zit de dieselwagen in het verdomhoekje, en dat uit zich nu ook op de tweedehandsmarkt. Zocht in 2014 nog 72,7 procent van de Belgen naar een diesel wanneer hij een occasie kocht, dan is dat dit jaar nog 40,9 procent. [5] 
Synoniemen

Gangbaarheid

50 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen