obscurcir
Uiterlijk
- van Oudfrans oscurir; van obscur met het achtervoegsel -ir, vervormd onder invloed van noircir en éclaircir [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| obscurcir |
obscurcissais |
obscurci |
| tweede groep | volledig | |
obscurcir
- overgankelijk verduisteren [1]; verdonkeren [1]; duister maken, donker maken
- overgankelijk (figuurlijk) onduidelijk maken; verwarren
- wederkerend s'~: duister worden
- wederkerend (figuurlijk) s'~: onduidelijk worden; verward raken
- ↑ obscurcir (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.