obligo

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • obli·go
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘verplichting’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1676 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord obligo obligo's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

obligo o [3]

  1. (economie) geheel van bestaande en reeds aangegane toekomstige verplichtingen

Gangbaarheid

27 % van de Nederlanders;
32 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
obligar

obligo

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van obligar